Het kasteel van Chenonceau is gebouwd onder leiding van vrouwen. Catherine Briçonnet leidde de eerste bouwfase tussen 1512 en 1521. Dit was praktisch beschouwd het gevolg van het feit dat haar man door zijn werk nauwelijks thuis was. Catharina de’ Medici en haar rivaal Diana Poitiers gaven als eigenaresse verder vorm aan het kasteel. Op de algemene pagina van het kasteel van Chenonceau kan je meer over de verschillende bouwfazen lezen.

Louise de Lorraine, de schoondochter van Catharina de’ Medici, erfde Chenonceau in 1590. Na de moord op haar echtgenoot, koning Hendrik III, trok Louise zich terug in het kasteel. Tot aan haar dood, 11 jaar later, leefde zij daar een devoot leven dat in het teken stond van rouw. Haar kamer, nu gereconstrueerd, was ingericht als rouwkamer met verwijzingen naar het geloof en de dood (o.m. doodshoofden en doornenkronen). Muren en het plafond waren zwart en wit gedecoreerd, de kleuren van Koninklijke rouw. Meubels waren overtrokken met zwart fluweel. Op de zolder bevond zich een kapucinessenklooster. Om de nonnen s’ nachts af te zonderen van de kasteelbewoners en hun gasten werd s’ avonds de vlieringstrap ingetrokken.
In de zeventiende eeuw raakte het kasteel in vergetelheid. Louise Dupin bracht het kasteel weer onder de aandacht door er salons voor intellectuelen te houden. Tot haar gasten behoorden Montesquieu, Voltaire en de filosoof Jean-Jacques Rousseau. Laatstgenoemde schreef ‘Émile’, een belangrijk boek over opvoeding, voor haar zoon van wie hij huisleraar was geweest. Doordat Madame Dupin zeer geliefd was bij de dorpsbewoners werd het kasteel niet afgebroken tijdens de Franse Revolutie (1789). De kapel hield ze buiten schot door het te gebruiken als houtopslag. In 1863 kocht Madame Pelouze Chenonceau. Zij liet het kasteel volledig restaureren.